Een inspecteur van Belastingen is autonoom in het nemen van beslissingen v.w.b. de uitleg of interpretatie van de wetgeving.
Om willekeur te voorkomen is er een coördinatiepunt m.b.t. de toepassing van het cafetariasysteem bij de Inspectie Utrecht. Helaas kennen de meeste inspecteurs dit adres niet.
Er zijn inspecteurs die het zogenaamde genietingsmoment wel erg letterlijk nemen en beweren dat verlofrechten uit voorgaande periodes niet meer ingezet kunnen worden. Op zich is dit een onjuiste interpretatie en toepassing van het genietingsmoment. Zie ook het onderdeel ‘tijdbronnen’ in het hoofdstuk ‘Bronnen en doelen’
Wat gebeurt er nu precies wanneer de werknemer verlof gaat verkopen?
- De waarde van het verlof wordt omgezet in een brutoloonbedrag, zoals ook gebruikelijk wanneer een werknemer bij uitdiensttreding nog verlofrechten heeft.
- Dat brutobedrag wordt vervolgens aangewend om een doel te bekostigen.
- Zou de werknemer het niet voor een doel gebruiken, maar laten uitbetalen, dan wordt het gewoon belast als loon.
Feitelijk wordt bij het verruilen helemaal geen verlof uit het verleden ingezet, maar het huidige brutoloon. De werknemer verkoopt deze dagen immers op het moment van verruilen.
Vervolgens koopt hij voor het brutobedrag een bepaald doel. Pas op dat moment is het brutobedrag beschikbaar. Het is dan ook beslist geen loon uit voorgaande periodes.
Dit wordt onderbouwd door een proefproces dat een inspecteur in 2004 is aangegaan.
De inspecteur wilde het restant van de verlofdagen belasten, omdat het al een verkregen recht zou zijn. Deze goede (overijverige) ambtenaar is toen teruggefloten door de toenmalige staatssecretaris. Hiermee werd dus ondubbelzinnig aangegeven dat het recht weliswaar eerder lag, maar de belastbaarheid pas op het moment van (eventueel) uitbetalen.
Op basis van de Wet LB 1964 zou het recht op verlof ook tot de belaste aanspraken gerekend worden. Zoals al eerder gezegd, is er een uitzonderingsbepaling: destijds werd na een bezwaar door de staatssecretaris geoordeeld dat verlof pas belastbaar is op het moment van uitbetalen. Dat geldt voor zowel de loondoorbetaling – het vakantiegeld – als de vakantietoeslag. Bij de levensloopregeling heeft de wetgever dit nog eens nadrukkelijk bevestigd.
Verlof dat van loonheffing is uitgezonderd, is wettelijk geregeld:
- Vakantie en compensatieverlof tot maximaal 250 dagen bij een fulltime dienstverband.
- Aangewezen geclausuleerd verlof zoals buitengewoon verlof, zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof enzovoort.
- Verlof tijdens rust- en feestdagen.
- Verlof op grond van een levensloopregeling.
Hiermee mag duidelijk zijn, dat verlof veelal eerst belastbaar is op het moment
van uitbetalen.
Het verruilen van verlof uit voorgaande perioden is dus niet in strijd met de bepaling van het genietingsmoment. Dat ligt immers gelijk met het moment van verruilen.
Verder moet nog vermeld worden dat ook de balanspositie van de organisatie verbetert, wanneer verlof verkocht en verruild wordt voor een onbelaste vergoeding of verstrekking.
Sinds enige jaren staan verlofrechten namelijk als een schuld op de balans en bij het verruilen wordt de balanspositie een stuk positiever.
Zo zien we bijvoorbeeld dat veel zorginstellingen via het Meerkeuzesysteem Arbeidsvoorwaarden (MKSA) een 'verlofstuwmeer' kwijtraken, waarvoor de instelling extra werkuren terugkrijgt en de werknemer een onbelaste vergoeding.