Een cafetariasysteem moet volgens de richtlijnen van de belastingdienst ook voldoen aan de zogenaamde realiteitswaarde.
Met realiteitswaarde wordt bedoeld dat een wijziging van een arbeidsvoorwaarde feitelijk een nieuwe arbeidsovereenkomst inhoudt en dat de consequenties daarvan moeten doorwerken in de andere loongerelateerde emolumenten. Dit behoeft enige toelichting.
Alleen als sprake is van een schriftelijk overeengekomen verlaging van toekomstig brutoloon, een verlaging met realiteitswaarde, wordt het bedrag waarmee het brutoloon is verlaagd niet als belast loon aangemerkt.
De realiteitswaarde wordt in de praktijk aannemelijk geacht, als de verlaging doorwerkt in de hoogte van inkomensafhankelijke betalingen of uitkeringen, voor zover het verlaagde brutoloonbestanddeel daarvan deel uitmaakt.
Een verlaging van het bruto maandsalaris heeft niet alleen invloed op de hoogte van de vakantietoeslag en de mogelijke toekomstige sociale zekerheidsuitkeringen, maar ook op het bruto uurloon waarover de overwerktoeslag wordt berekend.
Zie ook artikel ‘De gevolgen van het cafetariamodel (3/5-3.7)’ over de grondslag.
Genietingsmoment
Het genietingsmoment is een begrip dat de belastingdienst hanteert om vast te stellen wanneer loonbelasting en premies sociale verzekeringen verschuldigd zijn.
Er zijn vijf momenten waarop de heffing verschuldigd kan zijn, namelijk wanneer het loon:
- Wordt betaald.
- Wordt verrekend.
- Ter beschikking aan de werknemer wordt gesteld.
- Rentedragend wordt.
- Invorderbaar of inbaar wordt.
Is één van de situaties van toepassing op een bepaald gedeelte van het loon, dan mag dat loon niet meer aangewend worden om verruild te worden voor een doel in het cafetariasysteem.
De werkgever mag dus niet in augustus met terugwerkende kracht besluiten om het vakantiegeld dat in mei is betaald te gebruiken om een fiets te bekostigen. Een beslissing om loon te verruilen moet vooraf genomen worden.